INLEIDING / RIEN

In het najaar 2016 ontvingen dhr. Willem Kiers en dhr. René Schupp, beiden Liplg 60-3, van onze voorzitter de uitnodiging om bij ons over hun diensttijd (bij het KCT) te praten. Tevens werd ik gevraagd om het een en ander te begeleiden. René Schupp had al een reusachtige arbeid geleverd door het schrijven van ‘Mijn Levensboek’. Met de nodige informatie door René aangereikt, had Willem Kiers zijn talent gebruikt om zijn ‘Opa’s Army’ te schrijven. Minder uitgebreid en serieus dan het werk van René, maar zeker niet minder waardevol.

Zowel René als Willem zijn geboren in januari 1941. Volgens Willem hebben hun ouders in maart 1940 de boodschap van toenmalig Minister-president Gerbrandy ‘U kunt rustig gaan slapen’ heel letterlijk genomen, door extra vroeg het bed in te duiken. Beiden zijn van Liplg 60-3 en via Vught doorgestroomd naar het KCT. Begin jaren zestig, dus. 

Een interessante tijd. Het Korps heeft zich net hersteld van een turbulente periode waarin het zelfs dreigde opgeheven te worden. In 1958 wordt door de 105 Cotrcie reeds geëxperimenteerd met het waarnemen en verkennen. In het tentenkamp van Liplg 60-2 wordt door de cursisten Jogchem Goettsch en Arie Siebel het ons zo bekende Commandolied gecomponeerd. Internationaal bereikt de Koude Oorlog zijn (eerste) hoogtepunt in de zogenaamde ‘Cubacrisis’ van 1962. De hele NATO, dus ook het Nederlandse leger staat paraat. In dit tijdsbeeld en in deze constellatie brengen René en Willem hun diensttijd door. Gedeeltelijk in Roosendaal en gedeeltelijk in Bergen-Hohne, Duitsland.

De lezing van beide heren levert een bijdrage aan het bewaren en levend houden van de geschiedenis en traditie van ons Korps. Persoonlijke geschiedschrijving is zeer belangrijk. Door de druppel verklaar je tenslotte de oceaan. Daarom alleen al is de inspanning van René en Willem de moeite waard om aangehoord te worden.

Willem Kiers woont momenteel in Zaandam en René Schupp in Kerkrade.

 

RENÉ / ROOTS

Mijn vader schrijft op 26 oktober 1927 het volgende aan zijn zes jaar oudere broer:

Bij deze laat ik u weten dat ik nog frisch en gezond ben hetgeen ik ook van u hoop. Beste broer en schoonzuster u moet mij naar niet kwalijk nemen als dat ik lang niet meer geschreven heb. Want verder is niets nieuws te vertellen als dat de boel nog goed gaat, het is steeds knollen poetsen dat me vrek 'smorgens op de nugtere maag want u weet wel de knollen gaan voor de menschen. Verder laat ik u weten als dat wij van de week weer de rotte inspeksi hebben want dat is vervelend als u dat weten wil. Verder de groeten aan allen.

Uw broer Michel

Hij dient op dat moment als huzaar bij de Cavalerie te Breda. Mijn vader is geboren op 22 oktober 1907 te Herstal, België. Tijdens de eerste Wereldoorlog vlucht het gezin vanuit België naar het neutrale Nederland. Vanaf zijn vijftiende werkt mijn vader in de mijnen. Dertig jaar ondergronds en later nog zes jaar bovengronds.

In september 1939 wordt hij gemobiliseerd in Rotterdam, maar ingekwartierd in Maassluis. Daar leert hij mijn moeder kennen. Hij is dan 32 en zij 19. Liefde op het eerste gezicht! Ze gaat met deze knappe Huzaar mee naar Limburg. Een Hollandse vrouw in een Limburgse gemeenschap van mijnwerkers.  Zeker niet eenvoudig! Op 3 oktober 1940 treden zij in het huwelijk.

Ik word geboren op donderdag 2 januari 1941 te Kerkrade, als oudste in een gezin van drie kinderen. Met mijn geschreeuw hield ik de jonge moeders uit hun nachtrust. “Schon wieder das Kindlein Schupp, das wird wohl ein Sänger werden!”, zeiden de Duitse nonnen.  En ze hebben gelijk gekregen: muziek en zang zijn mijn grote passie.

WILLEM / ROOTS

Ik ben de derde in de rij kinderen. Wij gingen allemaal naar dezelfde lagere school, De Tuindorpsschool.

Wie Den Helder zegt, zegt strand en zee. Ik heb mijn zwemdiploma in het zeebad ‘Marsdiep’ gehaald. Van hieruit werd en wordt elk jaar een zwemtocht naar Texel gehouden. Daar heb je echt een zware kluif aan. Vier km, stroming en golven. Ik deed er een paar uur over, maar er waren snelle jongens bij die binnen 40 minuten op Texel waren. Ik in ieder geval niet.

Ik ga vaak naar het strand. Daar zoek ik  naar alikruiken. Een blikje met zout water, vuurtje stoken en de zeeslakken koken. Je kookte een zilveren dubbeltje mee. Als die zwart werd,  zat er een giftige slak in en moest je alles weggooien.

Na mijn twaalfde ga ik naar de M.U.L.O. in Den Helder. Met 14 jaar op dansles en daar leer ik mijn vaste vrienden kennen. Die vrienden zitten allemaal op judo. En dat wil ik ook. Onze judo-club heette Dun Hong. De naam was bedacht door Dr. G.F.M. Schutte, in de judowereld beter bekend als ‘Opa’ Schutte, een van de pioniers van het Nederlandse judo en leraar van o.a.  oud-commando Jon Bluming. Op mijn 18e haal ik m’n bruine band (1e Kyu) en doe ik mee aan veel wedstrijden. Het was toen dat ik besloot me aan te melden bij de commando’s.

Na de MULO kan ik gelijk bij de beroemde drukkerij De Boer beginnen als leerling boekdrukker.  Op deze drukkerij werden o.a. alle boeken van Anthony van Kampen gedrukt.

Als er kermis is, zwerf ik met mijn vrienden over deze kermis. Hier maken we kennis met de catch-as-catch-can-tent en een tent waar je met een zielige beer kan vechten.

Natuurlijk is er ook de Rupsbaan. In de eerste twee tenten kan je geld verdienen, in de laatste zit je met een leuk grietje. Een verschrikkelijke mooie tijd was  In die tijd begint de wereld een beetje te veranderen. Alles wordt vrijer en brutaler. Én m’n diensttijd komt eraan.

RENÉ 

Kerkrade en haar bevolking hebben ook veel geleden onder de oorlog. Vooral de bevrijding heeft veel schade en ellende opgeleverd. Op 25 september 1944 moeten wij gedwongen evacueren, samen met zo’n 30.000 mensen, richting Amerikaanse linies.

Onderweg worden we ineens beschoten door de Duitsers. Ik weet nog goed dat we in een greppel sprongen en dat ik de warme bescherming van m’n moeder voelde. Op 24 oktober mogen we  terug. In onze woonwijk is veel vernield. De strijd om de stad en de evacuatie heeft meer dan 300 levens gekost, waaronder die van 240 Amerikaanse soldaten.

Verder heb ik een tamelijk onbezorgde jeugd. Een week na mijn zesde verjaardag wordt mijn broertje Willy geboren. ‘De ooievaar heeft een broertje gebracht. Moeder moet nog een paar dagen in bed blijven, want de ooievaar heeft haar in de knie gebeten’, zei m’n vader.

WILLEM 

Toeval of niet, ik ben geboren in Versiliënbosch, een stadswijk tussen Heerlen en Brunssum, aan de rand van de Brunsummer Heide, niet ver van René vandaan. Dat zit zo. Mijn vader kwam oorspronkelijk uit Drenthe. Hij wordt geboren in Emmer-Compascuum op 28 juni 1909, aan de rand van de turfvelden. In armoede, dus. Op driejarige leeftijd wordt hij half-wees, samen met zijn 2 broers en 2 zussen, omdat hun moeder overlijdt.  De kinderen worden her en der ondergebracht. Mijn vader belandt bij een bakkersgezin. Vanaf zijn negende helpt hij daar mee in de bakkerij. Als hij 16/17 jaar oud is, vertrekt hij naar Limburg. Om precies te zijn, naar Versiliënbosch. Hij komt terecht bij de mijnwerkersfamilie Pasveer en leert daar Geesje kennen, de oudste dochter des huizes. Mijn toekomstige moeder.

Mijn vader gaat aan de slag als mijnwerker in de Oranje Nassau 1 te Heerlen.  De vader van René werkt maar liefst 30 jaar ondergronds, mijn vader houdt het na enige jaren al voor gezien. Hij is dan 19.

In mei 1940 breekt de oorlog uit. De Duitsers bezetten al snel de haven van Den Helder en vliegkamp De Kooy. De Engelsen bombarderen dagelijks deze plekken. Het is in die tijd echt geen pretje om in Den Helder te wonen. Mijn moeder is dan zwanger van mij. Mijn ouders vinden het daarom veiliger om naar de ouders van mijn moeder, in Versiliënbosch, te vertrekken in afwachting van mijn geboorte. En dat is maar goed ook. Eind 1940 komt er een bom in het voortuintje van m’n ouders terecht en richt veel materiële schade aan. En terwijl René, net een maand oud, zijn ouders met zijn geschreeuw uit hun nachtrust houdt, wordt ik op 21 januari 1941 geboren.

Op dat moment worden er soldaten gevraagd voor Nederlands-Indië, om bij het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger, de KNIL, te dienen. In 1929 vertrekt hij naar Indonesië. Niet, nadat hij Geesje plechtig heeft beloofd met haar te trouwen als hij weer terug is.

Na zes jaar, in 1936,  keert hij terug naar Nederland. hij gaat gelijk naar Limburg, naar  zijn Geesje. Zoals beloofd, vraagt hij haar ten huwelijk. Zij trouwen en verhuizen naar Den Helder. Zij krijgen daar een woning op de Anjelierstraat, in de wijk Tuindorp. Mijn vader gaat werken op de Rijkswerf van de Koninklijke Marine, vlakbij vliegkamp De Kooy

RENÉ  

In de nacht van 31 januari op 1 februari 1953, tijdens een enorme storm, breken de dijken door in Zeeland, West-Brabant en op de Zuid-Hollandse eilanden. De Watersnoodramp is een feit. Ik ben op dat moment 12 jaar en de gebeurtenis staat in m’n geheugen gegrift. Mijn ouders volgen het nieuws op de radio. We hadden tenslotte familie in Zuid-Holland. Wat ik toen nog niet wist, was dat het KCT een belangrijke rol speelde in de reddingsoperaties van het eerste uur.

In 1954 naar de Ambachtsschool. Geen succes. Op 6 januari 1955 naar de bedrijfsschool ‘Beerenbos’ van de Domaniale Mijn. In het derde jaar één dag per week ondergronds. Uiteindelijk doel: vast onder de grond als sleper en houwer.

WILLEM

Ik ben de derde in de rij kinderen. Wij gingen allemaal naar dezelfde lagere school, De Tuindorpsschool.

Wie Den Helder zegt, zegt strand en zee. Ik heb mijn zwemdiploma in het zeebad ‘Marsdiep’ gehaald. Van hieruit werd en wordt elk jaar een zwemtocht naar Texel gehouden. Daar heb je echt een zware kluif aan. Vier km, stroming en golven. Ik deed er een paar uur over, maar er waren snelle jongens bij die binnen 40 minuten op Texel waren. Ik in ieder geval niet.

Ik ga vaak naar het strand. Daar zoek ik  naar alikruiken. Een blikje met zout water, vuurtje stoken en de zeeslakken koken. Je kookte een zilveren dubbeltje mee. Als die zwart werd,  zat er een giftige slak in en moest je alles weggooien.

Na mijn twaalfde ga ik naar de M.U.L.O. in Den Helder. Met 14 jaar op dansles en daar leer ik mijn vaste vrienden kennen. Die vrienden zitten allemaal op judo. En dat wil ik ook. Onze judo-club heette Dun Hong. De naam was bedacht door Dr. G.F.M. Schutte, in de judowereld beter bekend als ‘Opa’ Schutte, een van de pioniers van het Nederlandse judo en leraar van o.a.  oud-commando Jon Bluming. Op mijn 18e haal ik m’n bruine band (1e Kyu) en doe ik mee aan veel wedstrijden. Het was toen dat ik besloot me aan te melden bij de commando’s.

Na de MULO kan ik gelijk bij de beroemde drukkerij De Boer beginnen als leerling boekdrukker.  Op deze drukkerij werden o.a. alle boeken van Anthony van Kampen gedrukt.

Als er kermis is, zwerf ik met mijn vrienden over deze kermis. Hier maken we kennis met de catch-as-catch-can-tent en een tent waar je met een zielige beer kan vechten.

Natuurlijk is er ook de Rupsbaan. In de eerste twee tenten kan je geld verdienen, in de laatste zit je met een leuk grietje. Een verschrikkelijke mooie tijd was dat !

In die tijd begint de wereld een beetje te veranderen. Alles wordt vrijer en brutaler. Én m’n diensttijd komt eraan.

RENÉ / DIENSTPLICHT

Mijnwerkers werden vrijgesteld van militaire dienst. Echter, ik wilde het zware beroep van mijnwerker ontvluchten en meld mij aan voor militaire dienst. Op 14 juni 1960 kom ik op en wel op de Tapijnkazerne te Maastricht. ‘Vanaf nu staan jullie onder de krijgstucht en de komende maanden mogen jullie het burgerpak aan de kapstok hangen!’, aldus een sergeant. Enkele weken daarna word ik overgeplaatst naar de ‘Garde Grenadiers’ in Vught

 

In de laatste week van Vught, komen enkele officieren van het  'KCT´ langs om liefhebbers te werven. We krijgen o.a. een test op de hindernisbaan. Ik ga tot het uiterste. De wervingsofficier ziet dat waarschijnlijk en laat me nog een rondje over de hindernisbaan gaan. Uiteindelijk blijven wij in Vught met een handvol kandidaten over. Op naar Roosendaal. Op het station melden wij ons bepakt en bezakt met plunjezak, pukkel en ransel.

WILLEM / DIENSTPLICHT

Zoals gezegd, wilde ik naar de commando’s. Bij mijn dienstkeuring heb ik drie maal opgeschreven: commando’s, commando’s, commando’s. Echter, als ik in Juni 1960 moet opkomen, kom ik in Vught terecht bij de Garde Jagers.  En als het KCT langskomt om te werven, loopt  de commando-arts, die de keuring doet, mij straal voorbij.

In plaats daarvan, word ik overgeplaatst naar de Isabella-kazerne in Den Bosch voor de opleiding tot onderofficier.

Vlak voor het einde van de opleiding word ik uitgenodigd om met 2 anderen naar Roosendaal te gaan voor de keuring, aldaar. Daar aangekomen, in ons eerste grijs natuurlijk, hebben we eerst een gesprek met kap van Dort, de latere C-KCT. En daarna doen wij onder leiding van een sergeant enkele ‘lichamelijke’ oefeningen en moeten we de stormbaan nemen ..., in ons DT! Een van ons heeft daar problemen mee en kan direct vertrekken. We bleven dus met ons tweeën over en een paar weken later, na onze promotie tot sergeant, moeten wij ons melden in Roosendaal. Ook wij met ons hele hebben en houden.

RENÉ / TENTENKAMP

Met de drietonner van het station Roosendaal naar het tentenkamp op de Rucphense Heide. Daar zien we voor het eerst het ‘Tentenkamp’.

 

Zes tenten voor cursisten en een tent voor de kadercursisten. Verder een keukentent en een nissenhut. Voor de nissenhut was een open plek. Wassen en scheren doen we bij een aantal troggen. Toiletten? Een latrine in het open veld. Voor en om het kamp een hobbelige zandweg. De toegang tot het ‘Commandokamp’ was gemarkeerd door boomstammen. Smi Bruijnooge wacht ons op:

 

Mijn naam is Bruijnooge. Vanaf nu heten jullie cursist. Gedurende de opleiding draag je een mutsdas en een toggle(rope). Alles gebeurt hier in de looppas. Altijd en overal. Je loopt in looppas, je eet in looppas, je doet je behoefte in looppas en je slaapt in looppas! Je geweer is altijd op de man, waar je ook gaat of staat of slaapt Ja.., het slaapt ook bij jou in bed! En waag het niet om het een keer te vergeten! Je wapen is als je vriendin, je moet er zuinig op zijn en haar zo nu en dan een goede beurt geven!’ Hebben jullie dat begrepen?! Looppas mars. Dekken! ... opstaan! ... looppas! ... dekken! ... opstaan! Al dekkend en looppassend komen we bij een bord. Daar krijgen we de opdracht om de tekst duidelijk en luid te lezen.

 

Uw voorgangers hebben dit Korps opgebouwd door hun offergeest. Overal waar ons vaandel wapperde. In Arakan - Arnhem - Nijmegen - Eindhoven - Vlissingen - Westkapelle. Op Java en Sumatra deden de commando's hun uiterste plicht.
VERGEET DAT NOOIT
.”

 

Daarna naar onze tent. Aan weerskanten acht veldbedden met daartussen een smalle doorloop. Mijn bed is het derde van rechts als je binnenkomt. Er hangt een muffe bedompte geur van vocht, touw, mutsdassen, blanco, schoenpoets, geweerolie, zweet.

WILLEM

RENÉ / HUMOR

Wie heeft er een rijbewijs?’ Spontaan gaan er een aantal vingers omhoog. ‘Mooi zo, dan zijn jullie bij deze ingedeeld in de corveeploeg.’  ‘Ik breek zowat mijn nek over een boomstam die hier voor de tent ligt. Jij, jij en jij, pak je pioniersschop en ga die boomstam begraven.’ De boomstam bleek een lucifer te zijn! Een cursist vergeet zijn geweer mee te nemen als hij naar het toilet moet. ‘Zeg cursist, waar is je geweer?’ ‘Vergeten, sergeant..!’ Vervolgens krijgt hij in plaats van zijn geweer een ‘dom geweer’ te dragen, een boomstam.

Op een dag krijg ik wel een tiental ansichtkaarten van verschillende meisjes. ‘Zo Casanova, druk je maar net zoveel op als het aantal ansichtkaarten... en misschien nog wat meer ook’. De kaarten blijken  achteraf afkomstig van een wijkgenoot van mij uit Kerkrade.

 

WILLEM 

Ja, die Tauran kon er wat van. Hij ligt vaak in de clinch met de mariniers, die natuurlijk beroeps zijn. Vooral de korporaals.  Die spreken een aardig woordje Maleis, net als Tauran. Zij noemen hem ‘Piet Poeroet’, wat zoiets betekent als ‘citroengras’ of ‘limoen’.(?) Doordat ik uit Den Helder kom kan ik redelijk veel Maleis en marine-uitdrukkingen. Ik kon het dus aardig volgen!

Het is bekend, maar ik vertel het toch maar. Iedere ochtend om 06.00 uur reveille. Aantreden in sportkleding en beginnen met een lekker veldloopje om wakker te worden. Ik vind het heerlijk. Lekker je conditie op peil brengen. Anderen vinden het toch wel wat minder of niet René?

 

RENÉ

Inderdaad. Op een morgen heb ik geen zin in de veldloop. Net gestart of ik duik met nog twee anderen de bosjes in. Via het struikgewas naar de achterkant van onze tent. Tot onze grote verbazing en schrik staat daar smi Bruijnooge ons op te wachten! Eerst een flinke uitbrander en daarna de vraag naar de reden waarom we niet aan het rennen zijn? ‘Ik ben zo misselijk, majoor...’, zegt de een. ‘Ik heb echt pijn aan m’n voeten’, zegt de ander. Bruijnooge: ‘Dan hadden jullie naar de hospik moeten gaan!’ Ik weet zo snel geen smoes te verzinnen en antwoord: ‘Ik heb geen excuus.., ik had er gewoon de balen van!’ Tot m’n stomme verbazing zegt Bruijnooge ‘Dat antwoord kan ik waarderen, cursist. Jij mag de loop vandaag overslaan’. Jullie beginnen alsnog aan die bosloop!’ Kijk, zo was hij natuurlijk ook.

WILLEM

Als kader krijgen wij iets vaker dan de andere cursisten een extra ‘opdracht’. Meestal ’s nachts. Zo moeten we op een nacht twee telefoonpalen, door de instructeurs ‘raketten’ genoemd, verplaatsen. ‘Die raketten mogen tijdens de verplaatsing absoluut de grond niet raken’, aldus de sergeant. De verplaatsing gaat van het tentenkamp naar de stormbaan, die met ‘raketten’ en al wordt genomen en daarna  weer terug naar het tentenkamp

RENÉ

Vanaf het eerste uur worden normen en waarden bijgebracht. Er is een hoge standaard van properheid van de man en zijn uitrusting. Kort gezegd, de cursist is verplicht om elk moment dat hij niet actief met een opdracht bezig is, op te vullen met onderhoud. Onderhoud met een hoofdletter 'O'. Even niets te doen? Onderhoud! Een moment van vrijheid? Onderhoud!

Vanaf het eerste uur worden normen en waarden bijgebracht. Er is een hoge standaard van properheid van de man en zijn uitrusting. Kort gezegd, de cursist is verplicht om elk moment dat hij niet actief met een opdracht bezig is, op te vullen met onderhoud. Onderhoud met een hoofdletter 'O'. Even niets te doen? Onderhoud! Een moment van vrijheid? Onderhoud!

WILLEM

Vooral het wapen. Te allen tijde is deze kompaan, deze ‘vriendin’, schoon, vrijgemaakt van stof en zand, licht in de olie - zeker niet teveel, 'het is geen oliespuit!' Nee, het wapen rust onder een filmpje van onaantastbaarheid, geen smetje op zijn blazoen! Geen onregelmatigheid krijgt een kans! Geen 'ding' dat tijdens een ECO zo wordt gekoesterd als het wapen.

RENÉ

Daarom kan je aan het wapen ook nooit aflezen hoe zwaar het tentenkamp is. Dat er wordt afgezien. En dan natuurlijk ook je zakmes, het bestek, de hangriemen, het koper, wat niet meer - als cursist ga je in het Tentenkamp heel anders tegen je PSU aankijken.

WILLEM

Én het ‘Wolletje’! Het wolletje – drie opgevouwen dekens – moet precies 40x40 cm zijn . Zo niet, dan wordt het bij de inspectie uit elkaar gehaald en kan je weer helemaal opnieuw beginnen. Het extra paar schoenen staat gepoetst onder het veldbed. Er wordt veel geblancoëd en koper gepoetst. Op ieder moment van de dag , maar ook ’s nachts worden er inspecties gehouden. Vooral de inspecties, vlak voor het weekendverlof zijn  zeer uitgebreid.